A-G: Niet vereist dat ten minste één ontslaggrond bijna voldragen is
Sinds 1 januari 2020 is met de Wet Arbeidsmarkt in Balans de zogeheten cumulatiegrond (i-grond) in werking getreden. Deze extra ontslaggrond is in het leven geroepen omdat de redelijke ontslaggronden (a t/m h) onvoldoende ruimte voor rechters boden om maatwerk te leveren. Er deden zich situaties voor waarin de arbeidsovereenkomst niet langer kon voortduren, maar waarin de rechter wegens ‘onvoldragen’ ontslaggronden de arbeidsovereenkomst niet kon ontbinden. Hoewel er sprake kan zijn van enige ‘versoepeling’ van het ontslag, blijft de ontslagbescherming van werknemers intact.
Op 26 februari is de conclusie van Advocaat-Generaal Drijber gepubliceerd over de toepasselijkheid van de cumulatiegrond. Hieronder zal de casus nader worden toegelicht.
Casus:
Werkgever deed in eerste aanleg het verzoek om de arbeidsovereenkomst wegens disfunctioneren van de werknemer te ontbinden, alsmede wegens een verstoorde arbeidsverhouding. Bij tussenbeschikking heeft de kantonrechter wegens het ontbreken van een behoorlijk verbetertraject het ontbindingsverzoek wegens disfunctioneren afgewezen. Bij eindbeschikking is het verzoek, voor zover gebaseerd op de g-grond, afgewezen wegens een gebrek aan bewijs van de verstoorde verhouding.
In hoger beroep is de arbeidsovereenkomst vooralsnog ontbonden op de i-grond. Het hof stelt dat de combinatie van omstandigheden van de werkgever niet kan verlangen om de arbeidsovereenkomst voort te laten duren.
Naar aanleiding van deze uitspraak is de werknemer tijdig in cassatie gegaan. De klachten zien onder meer op de stelplicht bij de i-grond en dat er ten minste één bijna voldragen andere grond moet zijn.
Bespreking cassatiemiddel
Met betrekking tot de stelplicht concludeert de A-G als volgt:
Uit de memorie van toelichting van de Wet Arbeidsmarkt in Balans vloeit niet voort dat in het kader van de i-grond voor de werkgever een striktere benadering geldt met betrekking tot de stelplicht. Uit de parlementaire stukken vloeit dan ook voort dat kan worden volstaan met een verwijzing naar omstandigheden die eerder zijn aangevoerd. Wel dient deze verwijzing te passen binnen artikel 24 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Het is aan de werkgever om de feiten en omstandigheden aan te voeren die aan het verzoek verbonden zijn, maar er rust geen ‘verzwaarde’ stelplicht op hem.
Met betrekking tot de term ‘bijna voldragen’ concludeert de A-G als volgt:
Noch de wet, noch de parlementaire geschiedenis wijzen erop dat het noodzakelijk is dat er sprake is van één bijna voldragen ontslaggrond om een beroep te kunnen doen op de cumulatiegrond. De A-G gaat dan ook uit van een onjuiste rechtsopvatting. Ondanks dat de feitenrechtspraak in beginsel strikter was met het beginsel van een bijna voldragen ontslaggrond, laat de huidige rechtspraak zien dat deze strikte lijn wat losser wordt.
Conclusie
De A-G concludeert dan ook dat de conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.