Hoge Raad: Ruimere toepassing rechtsvermoeden arbeidsomvang

11 februari 2026

Op 23 januari 2026 heeft de Hoge Raad een beschikking gegeven over het rechtsvermoeden van de omvang van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:610b Burgerlijk Wetboek.

Achtergrond rechtsvermoeden arbeidsomvang

Uit artikel 7:610b Burgerlijk Wetboek vloeit voort indien een arbeidsovereenkomst ten minste drie maanden heeft geduurd, de bedongen arbeid in enige maand wordt vermoed een omvang te hebben gelijk aan de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande maanden. Dit rechtsvermoeden beoogt werknemers bescherming te bieden bij onduidelijkheid over de arbeidsomvang. Het bewijsrisico ligt dan ook uitdrukkelijk bij de werkgever. Indien hij geen bewijs kan leveren van een onjuiste arbeidsomvang, dan komt deze vast te staan.

Casus

In de voorliggende zaak vorderde werknemer achterstallig loon en stelde hij dat sprake was van een vaste arbeidsomvang. De kantonrechter wees de vordering toe. Het gerechtshof Amsterdam wees de loonvordering echter gedeeltelijk af, omdat over bepaalde periodes geen urenregistraties beschikbaar waren.

De werknemer stelde in cassatie dat de arbeidsomvang gedurende het gehele dienstverband gelijk was. Er kon een beroep gedaan worden op artikel 7:610b Burgerlijk Wetboek, doordat het hof heeft vastgesteld dat over de periode van 1 januari tot en met 31 augustus 2022 de gemiddelde arbeidsovereenkomst gelijk was zoals in het boekje is aangegeven. In de conclusie van de Procureur-Generaal van Peursem blijkt dat dit middel dient te slagen, omdat artikel 7:610b door het hof is miskend.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelt dat bij een beroep op het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW niet uitsluitend hoeft te worden uitgegaan van de drie maanden direct voorafgaand aan het verzoek. De werknemer mag een andere periode aanwijzen om de arbeidsomvang vast te stellen. Indien die periode niet representatief is, kan een meer representatieve periode van drie maanden in aanmerking worden genomen.

Deze uitleg volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 7:610b BW en sluit aan bij het beschermingsdoel van de bepaling. Het is vervolgens aan de werkgever om tegenbewijs te leveren tegen de door de werknemer gestelde arbeidsomvang. Het hof had dan ook onjuist de bewijslast bij de werknemer neergelegd.

De Hoge Raad vernietigd dan ook de beschikking van het Gerechtshof Amsterdam en heeft deze doorverwezen naar het gerechtshof Den Haag om de zaak verder te behandelen.

Zie voor het volledige arrest Hoge Raad 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:99

Bron: | Hoge Raad 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:99 | 11-02-2026
Delen